Naar aanleiding van het artikel 'Jos Van Immerseel pleit voor projectorkest als ,,derde weg'',', De Standaard, 30/05/2002, http://www.standaard.be/nieuws/cultuur/
index.asp?doctype=detail.asp&ArticleID=DST30052002_049
onze 'reactie van de redactie':
Ik weet dat Jos Van Immerseel tegenwoordig wat gefrustreerd rondloopt. Waarschijnlijk voor een stuk terecht. Maar de baarlijke nonsens die hij nu uitkraamt gaat echt toch wat te ver.
Zo bvb. zijn uitspraak dat er meer dan 50 % vervangers in onze Vlaamse orkesten zouden rondlopen. Eerst en vooral is het natuurlijk een feit dat onze orkesten te klein bezet zijn (zeker als je de vgl. maakt met buitenlandse orkesten). En dat je daarom inderdaad wel wat vervangers en extra musici nodig hebt om bepaalde werken te kunnen uitvoeren.
Maar het is duidelijk dat onze Jos nooit voor een van die orkesten staat, en daardoor dus duidelijk niet geplaagd wordt door kennis van feiten en cijfers. Bij een gemiddelde productie in bvb. de Vlaamse Opera zijn er ongeveer 6 extra musici of vervangers. Op een totaal van 78 vaste musici (even het rekenmachientje erbij nemen) is dat dus 7,7%.
Naast een structurele ondersteuning voor het lovenswaardige werk dat Jos Van Immerseel ongetwijfeld doet, kan je hem misschien ook een rekenmachientje cadeau doen, Bert Anciaux?
Jos Van Immerseel vergeet ook te vertellen dat freelance muzikant zijn, echt niet zo zaligmakend is: onzekerheid, verplicht zijn er een andere job bij te doen, tijdelijke werkeloosheid, en ga zo maar even door. Afhangen van de goodwill van een of andere grillige dirigent die een projectorkest leidt, hoort er soms ook bij, enz.
Als dirigent heb je daar natuurlijk allemaal minder last van. Want een dirigent verdient dan ook een veelvoud van wat een orkestmusicus krijgt. Dat maakt het al wat makkelijker om straffe uitspraken te doen, is het niet Jos?
Raad eens waar een van de concertmeesters van Les musiciens du Louvre o.a. gaat bijschnabbelen (ofte bij gaan verdienen)? Ik weet het, ik was er ook. Is dat dan een van die voorbeelden van het stijgende succes van projectorkesten in het buitenland? Tja, succesvol als orkest misschien, maar ten koste van wat ik hierboven allemaal opnoemde, dus in veel gevallen aan zware menselijke en sociale kosten. Laat mij eens triest lachen.
En omdat u erover begint: laten we dan maar eens een boompje opzetten over de analyse van Serge Dorny, André Hebbelinck en Stephan Moens. Ik vrees dat ik nog maar eens de term baarlijke nonsens moet bezigen als ik het over deze heren hun rapport heb. Hun analyse blinkt uit door een gebrek aan kennis, vaagheden, geen (recent) cijfermateriaal noch wetenschappelijk onderzoek.
En deze ultieme paradox vindt ik ook leuk: projectorkesten roepen (terecht) om de middelen om gestructureerder te kunnen werken. Maar Dorny, Hebbelinck en Moens propageren het (laten we eerlijk zijn, het zeer moeilijk en daardoor gebrekkig) werken als projectorkest als het hoogste goed...
Zou het misschien ook kunnen dat onze Jos ook zo zuur reageert omdat onze Vlaamse orkesten tegenwoordig mooi werk leveren, interessante programmas op poten zetten, nieuwe en succesvolle producties maken, die ook een breed publiek bereiken? M.a.w. Is hij gewoon een beetje jaloers, en toont hij zich daar dan toch van een menselijke kant?
De redactie van www.dirigent.be
Van Immerseel schaadt de muziekwereld
Arie Van Lysebeth
04/06/2002 Van Immerseel idealiseert projectensembles, maar permanent samenspelen is noodzakelijk voor een verfijnde orkestklank
In zijn opiniebijdrage ,,Anima Eterna is geen telefoonorkest'' hield Jos Van Immerseel vorige donderdag in deze krant een vurig pleidooi voor het soort orkest waar zijn ensemble voor staat: het projectorkest. Arie Van Lysebeth , dirigent, conservatoriumdirecteur en juryvoorzitter van de Koningin Elisabethwedstrijd, vindt dat Van Immerseel uit de bocht gaat in zijn beoordeling van symfonische orkesten.
Jos Van Immerseel is intelligent, subtiel en cultureel beslagen. Dat hij die talenten aanwendt, neen misbruikt, om een foutief en misleidend beeld van de orkestwereld te schetsen, is bedroevend en niet correct.
Dat hij zenuwachtig is ingevolge de stijgende subsidiekoorts en tracht zoveel mogelijk geld voor zijn ensemble binnen te rijven, is begrijpelijk. Maar dat hij dit op de kap van onze symfonische orkesten wil doen door ze in een twijfelachtig daglicht te plaatsen, is de waarheid geweld aandoen en niet aanvaardbaar.
De eerste fout maakt hij door te poneren dat de missie en programmering van projectorkesten te vergelijken zou zijn met die van symfonische orkesten. Deze laatste staan garant voor de permanente kwalitatieve uitvoering van het volledige orkestrepertoire, dat intussen 250 jaar beslaat. Projectensembles daarentegen beperken zich tot subjectief en dus willekeurig gekozen en sterk gepersonaliseerde concertproducties.
Een volgende misvatting is dat er een groot verloop in onze symfonische orkesten zou zijn. Terwijl dit de regel is bij barokorkesten, gaat dit voor de symfonische orkesten niet op. Onze eigen conservatoriumstudenten die interesse voor project-barokensembles hebben, worden inderdaad in hun voorlaatste jaar al door tal van gelijkgestemde ensembles aangezocht. Sterker, de gestage opbouw waarbij onophoudelijk geschaafd wordt om tot een subtiele orkestklank te komen zoals bij de symfonische orkesten, is hen slechts projectmatig gegund.
Hetzelfde kan gezegd worden van de interpretatieve vaardigheden: terwijl een strijkersgroep van een klassiek symfonisch orkest vele jaren nodig heeft om een respectabele klank af te dwingen, kan een zogenaamd authentieke klank blijkbaar projectmatig en gespreid in de tijd, worden bereikt. Dat de leiders of dirigenten van deze projectensembles iets van authentieke interpretatie kennen, zal ongetwijfeld zo zijn. Van de musici in de projectorkesten worden niet dezelfde inzichten verwacht.
De structurele heropbouw van onze symfonische orkesten de jongste vijf jaar is ronduit spectaculair. Overal worden eindelijk en terecht de kaders weer opgevuld met knappe jonge mensen uit binnen- en buitenland. Zij worden aangetrokken door de frisse wind die door onze symfonische orkesten waait. Ook de conservatoria spelen op deze evolutie in door flexibele jonge musici te vormen. Dat in onze symfonische orkesten de jongste tijd met dirigenten van grote klasse wordt gewerkt, dat kamermuziek wordt gespeeld, dat multimedia worden geïntegreerd, dat er socio-educatieve projecten op stapel worden gezet en dat er cross-overs zijn met andere kunstvormen en genres,... dat alles maakt het professioneel bestaan van de moderne orkestmusicus zeer boeiend en bewijst dat Van Immerseels beeld totaal achterhaald is.
Ondanks zijn idealisering van de projectensembles weet iedereen dat permanent samenspelen een noodzakelijke voorwaarde is voor een verfijnde en gedifferentieerde orkestklank. Goed gestructureerde symfonische orkesten bieden door hun stabiel karakter een garantie op kwaliteit. Dat alle dirigenten van projectensembles zonder enige uitzondering maar wat graag onze symfonische orkesten dirigeren, is hiervoor illustratief.
De Commissie Cultuur van het Vlaams Parlement kwam tijdens een hoorzitting vorig jaar tot een heel andere conclusie dan Van Immerseel, een conclusie die ik volmondig beaam. Nadat drie gelegenheidsexperts een zogenaamd toekomstgericht orkestconcept hadden voorgesteld, bleek dat zowel het Vlaams Radio Orkest als de Filharmonie met hun nieuwe structuren deze experts al twee jaar voor waren. De Commissie Cultuur stelde dan ook vast dat het Vlaams symfonisch orkestenlandschap in de feiten herijkt is en dat beide symfonische orkesten voluit moeten worden gesteund in hun nieuwe missie, internationale ambities, complementaire cultuur en organisatiestructuur.
Dat Van Immerseel dit over het hoofd zou hebben gezien, lijkt erg onwaarschijnlijk, want hij was bij deze hoorzitting aanwezig. Het is jammer dat hij de muziekwereld door ongenuanceerde en opportunistische uitlatingen misschien onherstelbare schade heeft berokkend. (De auteur is dirigent en directeur van het Koninklijk Muziekconservatorium van Brussel.)
Back to Top